Open deuren – Hoofdstuk 16 – NT – Handelingen

7 augustus, 2023

Nieuwe Testament

‘Open deuren’

 Handelingen 16

Voorwoord

Iemand heeft dit hoofdstuk uit het boek Handelingen weleens het hoofdstuk van de ‘Open deuren’ genoemd. Niet in de letterlijke, maar in overdrachtelijke zin uiteraard. De ‘deuren’ van Asia, Mysië en Bythinië werden voor Paulus gesloten. De eerste ‘deur’ die naar Macedonië echter ging open. Daar, in Filippi, ontmoette hij Lydia die de ‘deur’ van haar hart en huis opende. De volgende ‘deur’ die openging was die van de gevangenis, die ‘deur’ ging open om ze – Paulus en Silas – binnen en buiten te laten. Daarna opende de gevangenbewaarder de ‘deur’ van zijn hart en huis. Maar laten we niet op de zaken vooruitlopen en met de eerste verzen van hoofdstuk 16 beginnen waar Paulus nieuwe helpers aanwerft.

Nieuwe helpers (16:1-5)

Het was nodig om nieuwe mensen te kiezen die Paulus zouden vergezellen om zijn reis die hem, zoals we zullen zien, naar Europa zouden leiden. Hij kiest Silas en Timotheüs. Silas was een sleutelfiguur geweest tijdens de ‘synode’ in Jeruzalem (15:22) en was een profeet (15:32). Hij had samen met Paulus gediend in het werk van de Heer in Antiochië, ze waren geen vreemden voor elkaar. Timotheüs die de plaats van Johannes Markus innam, was een jongere die behouden werd toen Paulus Lystra bezocht op zijn eerste zendingsreis (14:6-22). Timotheüs was getuige van Paulus lijden in Lystra (2Tim.3:10-11) en achtte zichzelf waardig voor een dienst voor de Heer. Timotheüs was dierbaar voor Paulus hart; hij noemde hem ‘mijn echt kind in het geloof’ (1Tim.1:2). Als oudere volwassen gelovigen, geen jongere gelovigen ‘adopteren’, wie zal dan de rijen vullen als God de ‘veteranen’ naar huis roept? (Zie: 2Tim.2:1-2 voor Paulus zijn instructies met betrekking tot dit probleem). Timotheüs was grootgebracht door een godvruchtige moeder en grootmoeder (2 Tim.1:5); 3:15). De profeten in de kerk, die een geestelijke visie hadden; voorzegden grote dingen over deze jonge man (1 Tim.1:18; 4:14). De gelovigen in Filippi bevestigden later hoe getrouw Timotheüs met Paulus hadden gediend in de gemeente (Fil.2:19-23). Timotheüs besnijdenis had niets te doen met de behoudenis (Gal.2:1-4). Dit was geen daad van ongehoorzaamheid ten opzichte van de raad van de apostelen (Hand.15:1vv.). Het werd gedaan om geen struikelblok voor de Joden te zijn (1Kor.9:20). Omdat Timotheüs een zoon van een Griekse vader en een joodse moeder was, was hij niet besneden; maar als kind van God, wilde hij alles doen om voor de Joden geen oorzaak tot struikelen te zijn.

En dan in Troas komt er een derde persoon bij die Paulus zou begeleiden, nl. Lukas de schrijver van het Evangelie en het boek Handelingen. Tot die conclusie geven de ‘wij-teksten’ aanleiding. (Vgl. 16:8-17; 20:5-15 en 27:1-28:16).

Een nieuwe visie een nieuwe weg (16:6-12)

Nadat Paulus de gemeenten bezocht had die ontstaan waren tijdens zijn eerste reis probeerde hij nieuwe gebieden te bezoeken om het evangelie te verkondigen. Ze probeerde het eerst in Frygië en (zuid?) Galatië, (het huidig Anatolië), maar werden ‘door de Heilige Geest verhinderd het woord in Asia te spreken’ (16:6). Daarna wendden ze zich naar de meer noordoostelijke richting, Mysië en Bithynië, maar ‘de Geest van Jezus liet het hun niet toe’ (16:7). We worden niet ingelicht waarom het niet mogelijk was het evangelie daar te verkondigen, maar de deur werd gesloten. We mogen wel weter dat later ook daar het evangelie is gebracht (Hand.18:19-19:41; 1Petr.1:1). Een geluk voor ons hier in Europa; hoe zou het afgelopen zijn als het Evangelie eerst in Asia gebracht zou zijn in plaats van in Macedonië? God greep in, en ’s nachts krijgt Paulus een gezicht waaruit zij opmaakten dat God hen had geroepen om terstond naar Macedonië te reizen om hun het evangelie te verkondigen. ‘Kom over naar Macedonië en help ons’, de kreet kwam uit het tegenwoordige Griekenland, een land trots op zijn filosofen, maar die hadden blijkbaar geen antwoord meer. Help ons! Uit deze verzen merken we op dat het zelfs voor de apostel Paulus niet altijd gemakkelijk was te weten wat de wil van God was.

Nieuwe gelovigen (16:13-40)

Filippi was een Romeinse kolonie, vernoemd naar koning Philip van Macedonië, die dat gebied had veroverd in de vierde eeuw voor Christus. Romeinse kolonies waren eigenlijk Rome in het klein, die dezelfde wetten en gewoonten hadden. Er zullen niet veel Joden geweest zijn omdat er geen synagoge was, daarvoor waren tenminste tien personen nodig (Vgl. Gen.18:32). Tijdens zijn verblijf te Filippi ontmoet Paulus drie verschillende soorten mensen, maar één ding hadden ze gemeen, ze waren allemaal zondaren! Ten eerste een vrouw die open stond voor het evangelie, vervolgens een vrouw die een waarzeggende geest had en tenslotte een gevangenbewaarder.

(1) God werkt

Een vrouw met een open hart: God opent Lydia’s hart (16:13-15)

Paulus begint zijn dienst in Europa door een vrouwen gebedsdienst bij te wonen. Lydia was een zakenvrouw zich afgekeerd had van het heidendom en de God van Israël diende.

God opende niet alleen de deur voor Europa, maar opent ook het hart van Lydia en ze werd behouden. Dat is iets dat wij niet kunnen: harten van mensen openen! Wij mogen het evangelie verkondigen! Paulus had in het gezicht een man gezien (16:9), maar hij ontmoet een vrouw! Dat gegeven was voor Paulus echter geen aanleiding om niet het evangelie te verkondigen, maar ook een bevestiging van zijn roeping. Lydia werd gedoopt een deelde haar overtuiging met haar huisgenoten die ook gedoopt werden. De woorden ‘haar huis’ wil zeggen allen die tot haar huis behoorden, het Woord begrepen (Vgl. Hand.10:44). Er is geen enkel bijbels bewijs dat kinderen gedoopt werden. De redenering dat de doop in plaats van de besnijdenis is gekomen wordt dan ook onterecht gebruikt in de discussie van de kinderdoop.

(2) Tegenstand door een engel des lichts (16:16-18)

Een slavin met een bezeten hart.

Paulus en zijn gezelschap woonden in Lydia’s huis en gingen met haar naar de gebedsplaats. Satan is altijd dichtbij om het werk van God te keren, en in dit geval gebruikt hij een slavin die een waarzeggende geest had. Het lijkt erop dat de woorden die ze sprak vriendelijk waren, alsof ze achter de verkondiging van het evangelie stond. Satan kwam als een engel van het licht en gebruikt vlijerij (2 Kor.11:13-15); maar God hoeft niet de hulp van satan in de verkondiging van het evangelie. Het getuigenis van de slavin was een verhindering in plaats van een hulp vandaar dat Paulus er tegen inging zodat het stopte. Dat was tegen het zere been van de meesters van de vrouw, die de menigte mobiliseerden en Paulus en Silas voor de overheid. Deze besloten dat Paulus en Silas in de gevangenis behoorden waardoor de apostelen in de gevangenis belanden opdat de rust in de stad zou weerkeren.

In het vervolg van dit hoofdstuk zien we hoe satan veranderde van een slang in een brullende leeuw,

(3) God opent en sluit de gevangenisdeuren (16:24-40)

Een man met een hard hart

Je hebt niet veel verbeelding nodig om te zien dat de gevangenbewaarder een ongevoelig persoon was, die geen sympathie had voor de gevangenen of openstond voor het evangelie. Zelf toen Paulus en Silas vernederd waren en geslagen, voegde hij aan hun lijden toe door hen in de binnenste gevangenis te zetten en hun voeten in het blok. Daarna ging hij heen en ging slapen. Paulus en Silas ‘baden en zongen Gods lof; en de gevangenen luisterden naar hen’ (16:25).

Zo waren zij volgelingen van de apostelen die, na het verhoor van de Joodse Raad, ‘verblijd dat zij waardig waren geacht voor de Naam oneer te verdragen’ (Hand.5:41). Wat een getuigenis was dat voor de andere gevangenen! Het gevolg van een onverwachte grote aardbeving was, dat de gevangenen in staat werden gesteld te vluchten. De angst van de gevangenbewaarder dat ze gevlucht bleek, gelukkig voor hem, niet juist, iedereen was nog aanwezig. Een hele opluchting want het zou hem zijn leven gekost hebben, omdat hij voor de gevangenen verantwoordelijk was. Door de vraag van de gevangenbewaarder: ‘Wat moet ik doen om behouden te worden’ wordt de indruk gewekt dat hij op de hoogte was van de verkondiging die Paulus had gedaan in de vier dagen voorafgaand aan zijn arrestatie. Nadat Paulus en Silas tot hem over het woord van de Heer gesproken hadden, met allen die in zijn huis waren, kwamen zij tot geloof in God waren gekomen en lieten zich dopen.

De volgende dag werd beslist om Paulus en Silas los te laten, maar dan gebeurd er iets wat tot op vandaag de dag voor discussie heeft gezorgd. Paulus en Silas beroepen zich op hun Romeins burgerschap die bepaalde voorrechten kende: ‘Ons die Romeinen zijn’ (16:37 Vgl. Hand.22:25-29; 25:11-12). Was dat nu nodig om zich daarop te beroepen? Romeinse burgers hadden bepaalde voorrechten en het is niet fout je daarop te beroepen. Hadden ze het niet gedaan dan had het volk kunnen denken dat ze hoewel schuldig toch de Romeinse wetten hadden overtreden. Het resultaat was wel dat de praetoren bang werden en Paulus en Silas kwamen verzoeken de stad te verlaten. De deur van de gevangenis ging open en ook de deur van Lydia ging weer open, waar ze werden opgenomen totdat ze de stad verlieten.

_________________________________________________________________________________________________________________________________________