Oude Testament – Opwekkingen onder koning Josia – 2 Kon.22 en 2 Kron.34

18 augustus, 2023

Series: Oude Testament

Bijbelboeken: 2 Koningen

Oude Testament

Opwekkingen in het Koninkrijk Juda

Deel 1 – Koning Josia

2 Koningen 22-23 – 2 Kronieken 34-35

‘Vóór hem is er geen geweest, die zich zo tot de Here keerde met zijn ganse hart, zijn ganse ziel en zijn ganse kracht, naar de gehele wet van Mozes; en na hem stond zijns gelijke niet op’ (2 Kon.23:25)

Voorwoord

Het noordelijk koninkrijk Juda heeft twintig koningen gekend, waarvan er twee, geestelijk gezien, ver boven de anderen uitsteken, Hizkia en Josia. Beide hadden ze voorgangers, hun vaders en grootvaders, die tegen God zondigden door niet te wandelen naar zijn geboden. Beiden acteerden in, wat we een eindtijd zouden kunnen noemen, namelijk aan het einde van het koninkrijk Juda. Beide waren, door genade en geloof, de leiders van een opwekking. Deze opwekkingen waren van tevoren niet verwacht, en we mogen ze dan ook zien als een werk van Gods Geest. Opwekking of opleving refereert binnen de crhistelijke context over het algemeen aan een periode van geestelijke vernieuwing binnen de kerk. Het ‘Ontwaakt, u die slaapt, en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten’ (Ef.5:14; Rom.13:11), wordt tegen gelovigen gezegd. In het christendom wordt hieronder verstaan een buitengewoon werk van de Helige Geest waardoor geestelijk ingeslapen gelovigen wakker worden, naamchristenen daadwerkelijk gaan geloven en niet-christenen tot geloof komen en bij de kerk komen. De nadruk ligt hier op het werk van de Geest (en niet het werk van mensen). Een opwekking begint vaak met een sterk zondebesef, het belijden van zonden, bekering, de gave van de zekerheid van het heil en levensheiliging. Doordat kerkleden zich bekeren worden kerken ook aantrekkelijker voor niet-christenen. Tekenen van een opwekking zijn de massalebekering van mensen tot het christelijk geloof en een moreel herstel in het gedrag en uitingen van de gelovige.

De Noord-Amerikaanse opwekkingsprediker Jonathan Edwards noemde vijf aspecten die typerend zijn voor een opwekking: (1) de werking van Gods Geest is universeel, (2) er worden grote aantallen mensen in korte tijd wedergeboren, (3) Gods Geest werkt in korte tijd bij velen een geestelijke doorbraak, (4) er is een grote geestelijke diepgang (5) de opwekking breidt zich uit naar andere plaatsen.

Inleiding

De moord op zijn vader Amon bracht Josia op de troon (2Kon.21:23). Hij was de laatste van de ‘goede’ koningen van Juda voordat het einde van het volk kwam. Hij regeerde in Juda van 639-608 en was een voorbeeld voor het volk: ‘Zo priester, zo volk’ (Hos.4:9) en niet ‘Zo vader, zo zoon’. Want Manasse zijn vader en grootvader waren koningen die niet gewandeld hadden op de weg van de Heer. In koning Josia zijn tijd was het volk verwikkeld in de afgodendienst en had het de dienst aan de Here opgegeven. Josia was geheel anders, en was als een ‘licht schijnend in de duisternis’ (Fil.2:15). Hij was al op achtjarige leeftijd koning geworden en we lezen dat hij op zijn zestiende de Here begon te zoeken. Hij zocht de Here in zijn jongelingsjaren (Pred.12:1) en dat maakte het verschil! ‘Vertrouw op de Here met uw ganse hart en steun op uw eigen inzicht niet. Ken Hem in al uw wegen, dan zal Hij uw paden recht maken’ (Spr.3:5-6). Waarschijnlijk heeft de hogepriester Chilkja daar ook een aandeel in gehad (2Kon.22:4). Het is interessant te weten dat Josia’s moeder Jedida, wat ook de bijnaam van Salomo was (2Sam.12:25). Jedida of Jedidja betekent ‘geliefde van God’ en dat kan een aanwijzing zijn dat Josia’s moeder ook een gunstige geestelijke invloed op Josia heeft gehad. De profeten Jeremia en Zefanja leefden in zijn tijd.

Josia reinigde het land – Reformatie (2Kron.34:3-7)

Toen Josia acht jaar was werd hij koning van Juda en acht jaar later, toen hij dus zestien jaar was, begon hij de God van zijn vader David te zoeken. Al gauw kwam hij tot de ontdekking dat het met het volk niet goed ging en hij begon maatregelen te nemen. ‘In het achtste jaar zijner regering, toen hij nog jong was, begon hij de God van zijn vader David te zoeken, en in het twaalfde jaar begon hij Juda en Jeruzalem te reinigen van de hoogten, de gewijde palen, de gesneden en de gegoten beelden. Men brak in zijn tegenwoordigheid de altaren der Baäls af; de wierookaltaren die daarop stonden, hieuw hij om; de gewijde palen, de gesneden en de gegoten beelden verbrijzelde en verpulverde hij, en het stof strooide hij op de graven van hen die daaraan geofferd hadden; de beenderen der priesters verbrandde hij op hun altaren. Zo reinigde hij Juda en Jeruzalem. Ook in de steden van Manasse, Efraïm en Simeon, en zelfs in die van Naftali, welke allerwegen in puin lagen, brak hij de altaren en de gewijde palen af, en sloeg hij de gesneden beelden tot gruis; al de wierookaltaren in het gehele land van Israël hieuw hij om. Daarna keerde hij terug naar Jeruzalem’. Daarmee vervulde Josia de profetie van 1 Koningen 13:1-2 waar staat – ‘Zie, daar kwam een man Gods door het woord des Heren uit Juda te Betel, terwijl Jerobeam op het altaar stond om het offer te ontsteken. 2Deze nu predikte tegen het altaar door het woord des Heren, en zeide: Altaar, altaar, zo zegt de Here: zie, een zoon zal aan Davids huis geboren worden met name Josia; en hij zal op u de priesters der hoogten slachten, die offers op u ontsteken, en mensenbeenderen zal men op u verbranden.

Josia herstelde de tempel – Restauratie (2Kon.22:3-7)

Het is niet voldoende om af te breken, er moet ook opgebouwd worden! Ook gelovigen moeten dingen afleggen, om daarna andere dingen aan doen (Fil.3:8,12). ‘In het achttiende jaar nu van koning Josia zond de koning de schrijver Safan, de zoon van Asaljahu, de zoon van Mesullam, naar het huis des Heren met de opdracht: Ga naar de hogepriester Chilkia; laat hij het geld gereed houden, dat in het huis des Heren gebracht is, dat de dorpelwachters ingezameld hebben van het volk; laat men het ter hand stellen aan de opzichters die over het huis des Heren aangesteld zijn, opdat dezen het geven aan hen die het werk verrichten, die in het huis des Heren bezig zijn om de bouwvallige gedeelten van de tempel te herstellen: aan de werklieden, de bouwlieden en de metselaars, en voor het aankopen van hout en gehouwen stenen, om de tempel te herstellen; maar van het geld dat hun ter hand wordt gesteld, worde geen verantwoording gevraagd, want zij handelen in goed vertrouwen. En de hogepriester Chilkia zeide tot de schrijver Safan: Ik heb het wetboek gevonden in het huis des Heren (Deut.31:24-26). En Chilkia gaf het boek aan Safan en deze las het. En de schrijver Safan kwam bij de koning, deed hem verslag en zeide: Uw dienaren hebben het geld dat zich in de tempel bevond, uitgestort en het ter hand gesteld aan de opzichters die aangesteld waren over het huis des Heren’.

Josia kreeg het Wetboek – het Woord van God (2Kon.22:8-20; 2Kron.34:14-28)

‘Ik heb het wetboek gevonden!’ Het wetboek dat al sinds tijden niet was geraadpleegd, wat aangeeft hoe de geestelijke toestand van het volk ervoor stond. Maar hoe is het nu, in onze dagen, hoeveel van de gelovigen raadplegen de Bijbel, het Woord van God nog als leidraad voor hun geestelijk leven? Bij koning bracht dat een verandering in zijn leven van Josia en door hem ook bij het volk. De grootste schat die u hebt, is niet geld maar het Woord van God, dat maar al te vaak ‘zoek’ is tussen de ‘rommel’ die je zo gemakkelijk kunt vergaren. Behandelt u Gods Woord als uw schat? (Ps.119:14,72,127,162). Of ligt het ergens ‘begraven’? Gods Woord is geen relikwie dat je in een museum voor de godsdienst kunt bewonderen. Ze zetten het Boek niet terug op het vaste plaatsje in de tempel. Nee, ze lazen eruit voor in het openbaar en behandelden het met respect als het levende Woord van God. De koning beefde voor Gods Woord (Jes.66:2) en liet onmiddellijk de Here raadplegen. Er is altijd een nieuw woord van de Heer als je de Bijbel leest en zijn wil zoekt. De koning en het volk sloten een verbond met de Heer en gingen staan voor het aangezicht des Heren (23:1-3; 34:29-33). Per slot van rekening behoren de resultaten van Bijbelkennis gehoorzaamheid en dienst te zijn: een levende toewijding aan de God van het Woord. Toen Josia het Wetboek in zijn handen kreeg en het begon te lezen begreep hij onmiddellijk dat Juda in groot gevaar verkeerde, en gaf hij onmiddellijk bevel om de Here te raadplegen, terwille van mij, van het volk en van geheel Juda, over de woorden van dit gevonden boek, want groot is de gramschap des Heren, die over ons ontbrand is, omdat onze vaderen naar de woorden van dit boek niet hebben geluisterd en niet hebben gedaan overeenkomstig al wat ons voorgeschreven is (22:13). Daarop leest Josia het wetboek aan het hele volk voor en sluit samen met het volk een trouwverbond met Jahweh.

Josia vierde het Pascha – Gedenken (23:21-23; 35:1-19)

Net zoals zijn overgrootvader Hizkia herstelt ook Josia het Pascha in ere. De ark wordt weer in de tempel geplaatst. De Levietendienst wordt hersteld volgens de voorschriften en de vorsten stellen tienduizenden offerdieren vrijwillig ter beschikking. Bij Hizkia hoorden we dat er zo’n Pascha niet is geweest sinds Salomo (2Kron.30:26), maar zo’n Pascha als nu van Josia is er zelfs niet geweest sinds Samuël (2Kron.35:18)! En toch is er bij het volk onder de vrome schijn veel trouweloosheid, zoals Jeremia in diezelfde tijd profeteerde (Jer.3:10).

Wat was het resultaat van Josia’s pogingen tot reiniging van het land en herstel van de dienst aan God? Gedurende zijn dagen was er vrede en zegen; hoewel God zijn eerder aangezegde oordelen niet terugnam ten gevolge van de zonde van Manasse (2Kon.23:26-27). Josia’s dienst en de dienst aan God hadden het oordeel hoogstens een aantal jaren uitgesteld, maar de ballingschap naderde en er was geen uitstel mogelijk.

Josia’s einde – zijn dood (23:28-30; 35:20-27)

Het lijkt aannemelijk dat het Egyptische leger, onder leiding van farao Necho II via de zee het land probeerde binnen te dringen. Farao bedoeling was niet om Juda aan te vallen, maar dat deze manier van doen er alleen voor was om de Assyriërs aan te vallen. In die tijd faalde Josia om naar de raad van God te vragen, het lijkt het er eerder op dat hij aan Gods wil bewust niet gehoorzaamde (2Korn.35:22). Hij vermomde zich in de strijd maar dat kon niet verhinderen dat hij in de strijd gewond raakte. In Zacharia 12:11 zien we een toespeling op de rouw te Megiddo voor koning Josia. De koning had beter de raad van Spreuken 20:3 en 26:17 in acht genomen! Mogelijk was Juda in die tijd een bondgenoot van Assyrië en was Josia verplicht te handelen, maar het is duidelijk dat de farao geen voornemen had op de strijd met Josia aan te gaan. Josia raakt gewond in de strijd en sterft in Jeruzalem aan zijn wonden; hij werd 39 jaar oud. De Egyptenaren lijden een paar jaar later bij Karkemis tegen Nebukadnezar de nederlaag (Jer.46:2).

(Opwekkingen in het Koninkrijk Juda, deel 2 zie ‘Opwekking onder koning Hizkia)

_________________________________________________________________________________________________________________________________________