Dogmatiek – Christologie – Pre-existentie van Jezus – Deel 1

6 augustus, 2023

Rubrieken: Dogmatiek

Dogmatiek

Christologie

Deel 1 – Pre-existentie van de Heer Jezus

Inleiding

We kunnen het leven van de Heer Jezus in drie perioden verdelen: (1) zijn pre-existentie; (2) Zijn vernedering – (incarnatie c.q. vleeswording) en (3) zijn verhoging. In dit artikel houden we ons bezig met de pre-existentie van de Heer Jezus. Pre-existentie wil zeggen vóórbestaan van de Zoon vóór diens incarnatie, eigenlijk van eeuwigheid af. Incarnatie wil zeggen de vleeswording van Christus. Een paar titels voor de pre-incarnate Christus zijn: (1) Het eeuwige Woord, de Logos (Joh.1:1-14); (2) de eeuwige Zoon van God (Joh.17:1-5); (3) God (Joh.1:1,18; Rom.9:5; Tit.2:13; 1Joh.5:20); (4) de wijsheid van God (Spr.8:22-31; 1Kor.1:24).

Jezus eeuwige herkomst volgens het OT

Een bekende tekst waarin gewezen wordt op de pre-existentie van de Heer Jezus vinden we in het Bijbelboek Micha. ‘En gij, Betlehem Efrata, al zijt gij klein onder de geslachten van Juda, uit u zal Mij voortkomen die een heerser zal zijn over Israël en wiens oorsprong is van ouds, van de dagen der eeuwigheid’ (Mi.5:1). ‘Oorsprong’, ook wel gelezen als ‘uitgangen’, maar dan wel in het meervoud, zou kunnen wijzen op de aardse afstamming van David van de Heer Jezus, anderzijds op zijn eeuwige oorsprong.

De eeuwige Zoon van God

Hij eeuwig als Zoon van God, in de schoot van de Vader, zelfs vóór de grondlegging van de wereld? (Joh.1:8, 17:5, 24). Dat is de vraag die ik hieronder probeer te beantwoorden.

 Het was door de Zoon dat alle dingen werden geschapen

  • ‘Alle dingen zijn door Hem en voor Hem geschapen. En Hij is vóór alle dingen, en alle dingen bestaan tezamen door Hem’ (Kol.1:16-17).

Hier wordt gezegd dat het door de Zoon was dat alle dingen werden geschapen. Alle dingen werden geschapen door de Zoon van Zijn liefde! De Zoon van God moet daarom bestaan hebben als Zoon in de tijd van vóór de schepping, lang vóór Hij vlees werd.

  • ‘Nadat God vroeger vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft Hij in het laatst van deze dagen tot ons gesproken in de Zoon, die Hij gesteld heeft tot erfgenaam van alle dingen, door Wie Hij ook de werelden gemaakt heeft’ (Heb.1:1-2).

Dit vers identificeert de Schepper als de Zoon van God, net zoals de passage in Kolossenzen 1 dat doet. Het was door de Zoon dat God de wereld maakte en daarom mogen wij ook spreken van de Zoon als dat Hij bestond vóór de wereld’. Het woord ‘Zoon’ in Hebreeën 1:1-2 draagt niet de idee dat God tot ons gesproken heeft in diegene die zijn Zoon werd, maar dat Hij tot ons gesproken heeft in diegene wiens relatie tot Hem als Zoon vanouds bestond, vóór zowel de schepping als Zijn vleeswording. Niet enkel heeft God tot ons gesproken in Hem die Zijn Zoon is, maar door Hem maakte hij de wereld. De volle implicatie is dat Hij, door Wie God de wereld maakte, in een relatie stond met Hem als Zijn Zoon.

De eniggeborene van de Vader

  • ‘En wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de eniggeborene van de Vader’ (Joh.1:14).

We stellen vast dat Johannes 1:14 moet verwijzen naar Christus’ zoonschap, dat wil zeggen: naar het feit dat Hij de Zoon van God is van alle eeuwigheid. Dit wordt aangegeven door de context (Joh.1:1 en 1:18) en door zulke passages als Johannes 3:16, 18, ‘de Zoon die in de schoot van de Vader is’, die bewijzen dat de Zoon reeds de eniggeborene was vóór Zijn vleeswording, het zoonschap dat hier wordt aangegeven was er al van eeuwigheid. We zouden de volgende retorische vraag kunnen stellen aan hen die leren dat Christus niet de Zoon van God was vóór de vleeswording: ‘Had de Vader geen schoot voordat de baby Jezus geboren werd in Bethlehem?’ Deze vraag kan als volgt beantwoord worden: ‘Inderdaad, ik ben ten volle zeker, zoals de vraagstelling al aangeeft, had Hij die van in alle eeuwigheid. De schoot van de Vader was een eeuwige bewoning, genoten door de Zoon, in de onuitsprekelijke vreugde van de Vader’.

 God zond zijn Zoon

  • ‘En wij hebben gezien en getuigen dat de Vader de Zoon gezonden heeft als Zaligmaker van de wereld’ (1Joh.4:14). ‘Hierin is de liefde, niet dat wij God lief hebben gekregen, maar dat Hij ons liefhad en Zijn Zoon zond als verzoening voor onze zonden’ (1Joh.4:10). ‘Jezus dan zei opnieuw tegen hen: Vrede zij u! Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook u’ (Joh.20:21). ‘Maar toen de volheid van de tijd gekomen was, zond God Zijn Zoon uit, geboren uit een vrouw, geboren onder de wet’ (Gal.4:4).

Dit zijn maar een paar teksten van velen die gaan over het zenden van de Zoon door de Vader. Deze passages impliceren duidelijk dat Hij de Zoon was vóór Hij in de wereld werd gezonden. Als God ‘Zijn Zoon zond’ dan moet Hij de Zoon geweest zijn vóór zijn zending. Dit is op zijn minst de meest vanzelfsprekende betekenis van deze passages, en de betekenis die een gewone lezer daar zonder twijfel aan zou hechten. Zulke passages geven duidelijk aan dat God Hem uitzond die reeds zijn Zoon was. Deze verzen zeggen niet dat God Hem uitzond die Zijn Zoon werd in de tijd van zijn geboorte. De Heer Jezus beloofde dat de Vader ‘de Trooster, de Heilige Geest’ zou zenden (Joh.14:26); werd Hij de Heilige Geest toen Hij werd gezonden of was Hij al de Heilige Geest voordat Hij werd gezonden? Het antwoord is vanzelfsprekend. De Heilige Geest werd niet de Heilige Geest op Pinksteren (Hand.2), net zoals de Zoon van God niet de Zoon van God werd te Bethlehem. De Geest was de Geest en de Zoon was de Zoon vóór hun onderscheiden uitzendingen. De vele verzen die spreken van God Die Zijn Zoon zendt zijn pas zinnig als we begrijpen dat Hij de Zoon was voordat Hij werd gezonden.

God de Vader gaf zijn Zoon

‘Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven’ (Joh.3:16).

Te zeggen dat Hij Zijn eniggeboren Zoon werd door de vleeswording zou dit vers beroven van zijn betekenis, kracht en kostbaarheid: ‘De waarde en grootheid van de gave ligt in het zoonschap van Hem die gegeven werd. Zijn zoonschap was niet het gevolg van Zijn gegeven zijn.’ Indien het zoonschap begon in de vleeswording, waarom lezen we dan niet dat God de Zoon des mensen gaf? Maar nee, de eniggeboren Zoon van God werd gegeven … Anders van Hem te denken dan als de Eeuwige Zoon is afbreuk doen van de persoonlijke heerlijkheid van Gods onvergelijkbare gave. Moest Hij niet bestaan hebben als Zijn Zoon voordat God Hem gaf? Als ik iemand een object geef, dan verandert dit niet de natuur van dit gegeven object, en dan is dat object niet anders dan wat het was voordat ik het gaf. Zo ook, indien God de wereld zo lief had dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gaf, dan moet Hij zeker Zijn eniggeboren Zoon geweest zijn voordat Hij Hem gaf … Zijn geven van Hem kon Hem niet tot Zijn eniggeboren Zoon maken, omdat de wonderlijke liefde hierin bestaat dat alhoewel Hij Gods eniggeboren Zoon was, Hij Hem toch gaf. ‘Hoe zal Hij, Die zelfs Zijn eigen Zoon niet gespaard maar voor ons allen overgegeven heeft, ons ook met Hem niet alle dingen schenken?’ (Rom.8:32). Als we mediteren over Romeinen 8:32 worden we herinnerd aan de tijd dat Abraham zijn zoon Izaäk overgaf (Gen.22). De patriarch moest zijn zoon nemen, zijn enige zoon Izaäk die hij liefhad (Gen.22:2) en hem naar het offeraltaar brengen. Zeker was Izaäk, die een type van Christus was (Heb.11:19), Abrahams zoon lang voordat hij overgegeven werd op het altaar. Het was de liefhebbende vader-zoon relatie die reeds bestond die dit offer zo kostbaar maakte. God de Vader nam Zijn Zoon, Zijn unieke Zoon Jezus, Die Hij liefhad vóór de grondlegging van de wereld, en Hij gaf Hem over voor ons allen. Wat een verbazingwekkende liefde! Als God Zijn Zoon had gespaard, dan zou er geen Redder voor zondaars geweest zijn. We zouden dan zonder hoop zijn en zonder hulp. Als de Vader Zijn Zoon niet had gezonden en Hem niet had overgegeven, dan zou redding onmogelijk geweest zijn, maar Hij zou nog steeds de Zoon van God geweest zijn. Wat betreft Zijn menselijkheid was Hij een Kind dat geboren werd. Wat betreft Zijn goddelijkheid was Hij een Zoon die gegeven werd door de Vader (Johannes 3:16). Hij werd een Kind maar Hij werd niet een Zoon.

Een relatie met de Vader vóór de vleeswording

‘Ik ben van de Vader uitgegaan en ben in de wereld gekomen; Ik verlaat de wereld weer en ga heen naar de Vader’ (Joh6:28).

Hoe kon Hij ‘van de Vader uitgegaan’ zijn als Zijn bestaan als Zoon niet eerder begon dan bij de vleeswording? Dit vers impliceert duidelijk dat Hij bij de Vader was vóór Zijn komst in de wereld. Als Hij niet de Zoon werd dan bij de vleeswording, kunnen we verwachten dat dit vers zoiets zegt als dit: ‘Ik ben van God uitgegaan en daarna werd Ik de Zoon … Ik verlaat de wereld en ga heen naar God Die sinds mijn geboorte Mijn Vader is geweest’. Zoals het vers er staat geeft het echter aan dat er een Vader-Zoon relatie bestond vóór Zijn komst in de wereld: ‘Zijn heengaan naar de Vader was de omgekeerde procedure als die van Zijn komst. Hij kwam van de hemel naar de wereld; Hij ging terug van de wereld naar de hemel. Hij spreekt van Degene van Wie Hij uitgegaan was als zijnde ‘de Vader’, niet in de zin van dat Hij uitgegaan was van iemand die daarna de Vader werd bij Zijn geboorte, maar van Iemand die de Vader was wanneer Hij uitgegaan is.’

‘En nu verheerlijk Mij, U Vader, bij Uzelf, met de heerlijkheid die Ik bij U bezat voordat de wereld er was’ (Joh7:5). ‘Vader … omdat U Mij hebt liefgehad vóór de grondlegging van de wereld’ (Joh7:24). Deze verzen voeren ons terug naar de tijd vóór de schepping. Voordat de wereld er was, was de Vader daar en de Zoon was daar, in een intieme liefhebbende relatie. Dit is de gewone en normale betekenis van deze woorden.

 De Zoon werd de Zoon van David

‘Ten aanzien van Zijn Zoon, Die wat het vlees betreft geboren is uit het geslacht van David. Wat de Geest van heiliging betreft, is Hij met kracht bewezen te zijn de Zoon van God, door Zijn opstanding uit de doden, namelijk Jezus Christus, onze Heere’ (Rom:3-4).

Hij was Davids Zoon van Bethlehem; Hij was Gods Zoon van alle eeuwigheid af. Hij werd de Zoon van David door menselijke geboorte, maar Hij werd niet de Zoon van God. Benjamin Warfield heeft het goed gezegd: Hij Die altijd de Zoon van God was en blijft, werd aan mensen aanvankelijk geopenbaard als de Zoon van David, en daarna, na Zijn opstanding als de verheven Heer. Hij was altijd in de essentie van Zijn wezen de Zoon van God; deze Zoon van God werd het geslacht van David deelachtig en werd geïnstalleerd als de Zoon van God (Die Hij altijd was), maar nu in Zijn eigen macht, door de opstanding uit de doden. In Romeinen 1 wordt gezegd dat Hij Die de Zoon van God was de Zoon van David werd. Bij de vleeswording werd het eeuwige Woord vlees en de eeuwige Zoon werd een Mens. De eeuwige God werd niet de Zoon. In tegendeel, wij geloven dat de Heer Jezus Christus, de eeuwige Zoon van God, mens werd, zonder op te houden God te zijn.

De openbaring van de Zoon van God

‘Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, dat Hij de werken van de duivel verbreken zou’ (1Joh:8).

Het is één ding te spreken over de openbaring van de Zoon van God. Dit is bijbels. Het is echter een ander ding te spreken over het ontstaan van de Zoon van God. Dit is ketters. Zijn zoonschap had geen begin. Het voltooid deelwoord ‘geopenbaard’ betekent iets zichtbaar maken of in het licht brengen, wat voorheen verborgen was. ‘Het idee van openbaring is nooit een overgang van een staat van niet-bestaan naar deze van bestaan! Overeenkomstig, als we de Zoon willen eren wat Hem verschuldigd is, dan moeten we erkennen dat Hij de Zoon van God was vóór zijn openbaring, zijnde de eeuwige Zoon van God werd Hij openlijk en zichtbaar geopenbaard in het vlees voor Zijn middelaarswerk.’ De wonderlijke manifestatie van de Zoon van God en Zijn komen in deze wereld wordt ook geleerd in Johannes 11:27 en 1 Johannes 5:20.

Melchizedek, een type van de Zoon van God

‘Zonder vader, zonder moeder, zonder stamboom kent hij geen begin van dagen en ook geen levenseinde, maar aan de Zoon van God gelijkgemaakt, blijft hij in eeuwigheid priester’ (Heb:3).

Het sterke getuigenis dat dit vers presenteert voor het eeuwige zoonschap van Christus mag niet gemist worden. De Geest van God leidde de pen van Mozes op zo’n manier dat de biografie van Melchizedek niets zegt over zijn ouders of zijn geboorte of zijn dood. Deze weloverwogen weglatingen waren er om Melchizedek voor te stellen als een type van de Zoon van God: ‘Hij was ‘aan de Zoon van God gelijkgemaakt’ en de overeenkomst ligt hierin dat hij ‘geen begin van dagen en ook geen levenseinde’ heeft’. Overeenkomstig was het in de status van Zoon van God dat Christus zonder begin van dagen was. Zijn zoonschap was daarom zonder begin en eeuwig’. In zijn vleeswording was Hij niet ‘zonder moeder’. Als de ‘Zoon des Mensen’ was Hij ‘geboren uit een vrouw’ (Gal:4). Als de ‘Zoon van God’ was Hij ‘Zonder vader, zonder moeder, zonder stamboom en kent hij geen begin van dagen en ook geen levenseinde’. Zijn zoonschap heeft niets te maken met menselijke ouders, menselijke afstamming, menselijke geboorte of aardse tijdsmeting. Hij is eeuwig.

______________________________________________________________________________________________________________________________